De beste gitarist? De beste drummer? De beste zanger? Het klinkt leuk, maar in de praktijk bestaat deze niet. Muziek is geen wedstrijd, het is immers geen sport. Toch komt het vaak voorbij. ‘Beste’ duidt dat er niets beters is. Dat kan natuurlijk, maar er kunnen er veel even goed zijn. Een buitengewoon populair televisieprogramma is getiteld Beste Zangers. Hier is echter geen sprake van competitie. In iedere aflevering staat namelijk één zanger(es) centraal, die voor ieder ander een lied uitgekozen heeft om te zingen. Er zijn inmiddels al zo’n 100 artiesten meegedaan en het doel is ook niet om de beste aan te duiden. Dat programma bracht al enkele verrassingen. Zo werd Floor Jansen, zangeres van Nightwish, dé verrassing van 2019. Zij deed o.a. het nummer ‘Winner‘, dat Tim Akkerman voor zijn gehandicapte broer schreef en opgenomen heeft voor zijn album ‘Lions Don’t Cry’. Mijn bezwaar tegen het betitelen van ‘de beste’ ontstaat pas bij ranking. 

Het meest ultieme voorbeeld in mijn beleving is 100 Greatest Drummers Of All Time van het toonaangevende magazine Rolling Stone uit 2016, waar de drummers Charlie Watts en Ringo Starr beduidend hoger staan dan Billy Cobham en Dennis Chambers. Geen drummer die dit serieus kan nemen. Het is al moeilijk om bepaalde stijlen met elkaar te vergelijken, aangezien jazz, rock en funk drie duidelijk stromingen zijn die elk hun specifieke vaardigheden vereisen. En dan de lijst van afwezigen: degenen die buiten die 100 vallen. Metalliefhebbers missen wellicht Nicko McBrain, fusionliefhebbers Dave Weckl, jazzfreaks zullen zich verbazen dat Art Blakey ontbreekt, terwijl oude rockers tevergeefs naar Carl Palmer zullen zoeken, terwijl zij dan wel Mick Fleetwood tegenkomen. Wie de lijst zelf bekijkt, zal zien dat er opmerkelijk weinig fusiondrummers te vinden zijn, tenzij deze ook in bekende popgroepen gespeeld hebben. Dat is echter een keuze. Het is een smaak- en gevoelskwestie, want welke objectieve criteria zijn er aan te leggen en vervolgens: hoe kan je die meten? Nu lijkt het magazine enige relativering te kennen: ‘If you want to throw a cymbal at us, please do so in the comments section’. Een populariteitspoll had logischer geweest.

Van geheel andere orde is het boek ‘1000 Great Guitarists’ van Hugh Gregory uit 1994. Dit behoort tot mijn favoriete muziekboeken, omdat dit gewoon alfabetisch de belangrijkste gitaristen in allerlei stijlen weergeeft van Duane Allman tot Frank Zappa en niet alleen uit de rockscene, maar ook stijliconen als Django Reinhardt, Wes Montgomery, Chet Atkins, Chuck Berry. B.B.King, Bert Jansch, Jimi Hendrix en Yngwie Malmsteen. En van Dick Dale tot J.J.Cale. Dat de enige vermelde Nederlandse gitaristen Jan Akkerman en Adje Vandenberg zijn, wekt geen verbazing. Enige internationale bekendheid is wel een vereiste. Het neemt niet weg dat ik af en toe glimlach bij bepaalde keuzes. Zo staan John Mayall en Elvis Costello ook in deze lijst.

Ook al is het getal 1000 imposant, er vallen altijd enkele giganten buiten de boot, waaronder uiteenlopende virtuozen als Tommy Emmanuel en John Petrucci of een stylist als Egberto Gismonti. Uiteraard gaat het om wie er wél in plaats van niet instaan. En er worden heel veel minder bekende gitaristen niet vergeten, zoals James ‘Blood’ Ulmer of Lenny Breau. Bij elke minibiografie staan ook het type gitaar vermeld en de tracks waar zijn/haar kwaliteiten goed tot uiting komen. Dit boek heeft de vorig jaar overleden (studio)gitarist Pete Carr er niet instaan; dit vind ik jammer, maar je kunt nu eenmaal niet compleet zijn. In het boek 55 Verrassende Verzamelelpees wordt hij echter niet vergeten. Wie zijn klasse wil horen, raad ik aan om Pete Carr in zijn lange, live in de studio, versie van ‘Knockin’ On Heaven’s Door‘ te beluisteren, afkomstig van één van zijn weinige solo-elpees: ‘Multiple Flash’. Wat mij betreft kan men dus volstaan met ‘erg goed of één van de beste’, want dat is altijd op zich al een eervolle vermelding en een heldere aanduiding in kwaliteit.

Erik Bevaart, initiator en mede-auteur boek 55 Verrassende Verzamelelpees